Binnen mijn organisatie wordt er gesproken over, en geschreven aan een nieuw strategisch beleidsplan. Het huidige vindt u hier. Nu worden we als docenten via studiedagen betrokken bij de vormgeving, maar hoeveel invloed we dan echt hebben? Ik heb de stoute schoenen aangetrokken (zo voelde het namelijk wel) en heb de heren van ons College van bestuur direct gemaild. Over talent en nieuwsgierigheid.
zaterdag 31 januari 2015
maandag 15 december 2014
Mijn onderwijsmoment
Karin Winters heeft afgelopen week een nieuwe site gelanceerd: mijnonderwijsmoment.nl. Een plek voor verhalen van onderwijsmensen, wat een topidee! Ik retweette het bericht, en legde daarmee ook een beetje mijn eigen deelname vast.
Er zijn 29 leerlingen tegelijkertijd aan het werk in de gymzaal. In groepjes of alleen. Met verschillende onderdelen. Op - naar schatting - 29 niveaus. Zo op het eerste oog is het een chaos. En op het tweede oog eigenlijk ook. Een les waarin alles regelmatig mislukt, en daarom juist zo gaaf is.
In de eerste klas zijn we een aantal lessen met het onderdeel circus aan de gang. De opdracht is: verzorg met je groepje een voorstelling, waarin je op een originele manier laat zien wat je geleerd hebt bij het gekozen onderdeel. Na de introductieles, waarin alle leerlingen alle onderdelen bij langs lopen, kiezen de leerlingen het onderdeel waarin zij de expert gaan worden.
We zitten in les 2. De leerlingen zijn aan het oefenen bij het door hun gekozen onderdeel. Het enige wat ik heb gedaan is ze waarschuwen: "circus is een prachtig en verschrikkelijk onderdeel, en allebei om dezelfde reden: je moet keihard oefenen om het te laten lukken, en net als je denkt dat het lukt, mislukt het weer. Maar! Doorzetten geeft beloning, oefen veel, hard en geduldig en je merkt dat je straks veel meer kunt dan nu. Succes!"
De rest van de les hoef ik niet zoveel meer te doen. Kijken en genieten, daar komt het zo'n beetje op neer. Een leerling zit op z'n knieën met het gezicht naar de muur. Dan kun je de jongleerballetjes niet naar voren gooien, en je hoeft niet steeds te bukken als ze vallen. Een andere leerling valt voor de vijfde keer van de eenwieler, om er direct weer op te klimmen. Twee andere leerlingen helpen hem een stukje op weg. De tonloper werkt in z'n eentje. Hij sleept druk met matjes om een verhoging te maken waar hij met zijn ton overheen gaat proberen te lopen, als het zover is vraagt hij zelf hulp aan een diabolo'er. Af en toe moet ik wat leerlingen afremmen die te snel gaan. Als je bij het jongleren de ballen nog niet met een constante boog kunt gooien is het niet handig om al met drie ballen te oefenen, terug naar de oefeningen met twee ballen dus. Het drukst ben ik met leerlingen die voortdurend willen laten zien dat er iets lukt: "meneer, meneer, kijk eens!" Om vervolgens een diabolo op te vangen of anderhalve meter los te fietsen.
Ik hoef steeds alleen maar te zeggen: "zo! ik kan zien dat je hard geoefend hebt! Denk je nog even aan... doe nog eens, alleen dan... wat je nu zou kunnen doen..." En daar gaan ze weer. Terug de ogenschijnlijke chaos in. Om weer balletjes op te rapen, van de fiets te stuiteren of een diabolo op hun neus te krijgen, maar dat helemaal niet erg vinden: Want waarom zou je trots zijn op iets waar je nooit in hebt gefaald?
nou maar hopen dat alle retweets ook een bijdrage van de retweeter opleveren :-) #onderwijsmoment http://t.co/8pBOy0H2uw
— Karin Winters (@karinwinters) 9 december 2014
Dus, bij deze! Mijn onderwijsmoment van vorige week, een les sport&bewegen:Er zijn 29 leerlingen tegelijkertijd aan het werk in de gymzaal. In groepjes of alleen. Met verschillende onderdelen. Op - naar schatting - 29 niveaus. Zo op het eerste oog is het een chaos. En op het tweede oog eigenlijk ook. Een les waarin alles regelmatig mislukt, en daarom juist zo gaaf is.
In de eerste klas zijn we een aantal lessen met het onderdeel circus aan de gang. De opdracht is: verzorg met je groepje een voorstelling, waarin je op een originele manier laat zien wat je geleerd hebt bij het gekozen onderdeel. Na de introductieles, waarin alle leerlingen alle onderdelen bij langs lopen, kiezen de leerlingen het onderdeel waarin zij de expert gaan worden.
We zitten in les 2. De leerlingen zijn aan het oefenen bij het door hun gekozen onderdeel. Het enige wat ik heb gedaan is ze waarschuwen: "circus is een prachtig en verschrikkelijk onderdeel, en allebei om dezelfde reden: je moet keihard oefenen om het te laten lukken, en net als je denkt dat het lukt, mislukt het weer. Maar! Doorzetten geeft beloning, oefen veel, hard en geduldig en je merkt dat je straks veel meer kunt dan nu. Succes!"
De rest van de les hoef ik niet zoveel meer te doen. Kijken en genieten, daar komt het zo'n beetje op neer. Een leerling zit op z'n knieën met het gezicht naar de muur. Dan kun je de jongleerballetjes niet naar voren gooien, en je hoeft niet steeds te bukken als ze vallen. Een andere leerling valt voor de vijfde keer van de eenwieler, om er direct weer op te klimmen. Twee andere leerlingen helpen hem een stukje op weg. De tonloper werkt in z'n eentje. Hij sleept druk met matjes om een verhoging te maken waar hij met zijn ton overheen gaat proberen te lopen, als het zover is vraagt hij zelf hulp aan een diabolo'er. Af en toe moet ik wat leerlingen afremmen die te snel gaan. Als je bij het jongleren de ballen nog niet met een constante boog kunt gooien is het niet handig om al met drie ballen te oefenen, terug naar de oefeningen met twee ballen dus. Het drukst ben ik met leerlingen die voortdurend willen laten zien dat er iets lukt: "meneer, meneer, kijk eens!" Om vervolgens een diabolo op te vangen of anderhalve meter los te fietsen.
Ik hoef steeds alleen maar te zeggen: "zo! ik kan zien dat je hard geoefend hebt! Denk je nog even aan... doe nog eens, alleen dan... wat je nu zou kunnen doen..." En daar gaan ze weer. Terug de ogenschijnlijke chaos in. Om weer balletjes op te rapen, van de fiets te stuiteren of een diabolo op hun neus te krijgen, maar dat helemaal niet erg vinden: Want waarom zou je trots zijn op iets waar je nooit in hebt gefaald?
zaterdag 22 november 2014
Your a-lot-of-steps-guide to translate a questionnaire
Ik vertaalde 'eventjes' een vragenlijst. In dit blog de stappen die ik daarvoor gezet heb.
Mijn afstudeeronderzoek draait om nieuwsgierigheid. Als onderdeel van mijn onderzoek wil ik graag het verband laten zien tussen nieuwsgierigheid en het vermogen om vragen te stellen. Om dat te doen moet ik iets kunnen zeggen over de mate van nieuwsgierigheid (en natuurlijk ook over het vermogen om vragen te stellen, maar daarover een andere keer). Omdat het over nieuwsgierigheid als gevoel gaat, is een vragenlijst of een interview de aangewezen methode om data te verzamelen. Om een verband te onderzoeken moet ik van alle leerlingen in mijn onderzoeksgroep (N=22) hun mate van nieuwsgierigheid weten. Daarom heb ik gekozen voor een vragenlijst. De andere optie kost simpelweg teveel tijd.
Een klein probleem: die vragenlijst had ik nog niet. Na veel lezen en zoeken heb ik wel wat gevonden. De auteur heb ik gemaild of ik a) zijn vragenlijst mocht gebruiken en b) of hij mij het origineel wilde toesturen. Prompt stuurde hij mij de meest recente versie en alle relevante artikelen daaromheen. De Epistemic Curiosity Questionnaire (Litman, 2008) meet de vorm van nieuwsgierigheid die het meest in verband wordt gebracht met leren (zie bijvoorbeeld Berlyne, 1954). Prima vragenlijst: tien vragen, twee onderliggende schalen. Betrouwbaarheid in orde (α = .82 en .76) met een sterke correlatie tussen beide schalen (r = .60). Volgende probleem: om de vragenlijst te kunnen gebruiken moest deze vertaald worden. Een vertaalde vragenlijst is een nieuwe vragenlijst, waarbij er niet zomaar vanuit gegaan kan worden dat die net zo betrouwbaar is als het origineel... In de rest van dit blog de stappen die ik gevolgd heb, gebaseerd op de gemengde methode uit Methoden en technieken van onderzoek (Saunders, Lewis, Thornhill, Booij & Verckens, 2011).
Stap 1: Vertaal
Om te beginnen heb ik de vragenlijst zelf vertaald naar het Nederlands. Het lastige hieraan is, is dat je dit doet met stap 2 in je achterhoofd. De vertaling moet zo getrouw mogelijk aan het origineel, maar dat levert al snel hele kromme Nederlandse zinnen op.
Stap 2: Twee native speakers vertalen terug
De Nederlandse versie is door twee native speakers afzonderlijk weer vertaald naar het Engels. Een collega van mijn vriendin was zo vriendelijk, en nummer 2 vond ik via Twitter!
Stap 3: Vergelijken origineel met 'terugvertalingen'
Met beide native speakers heb ik (telefonisch en via Facetime) de verschillen tussen het origineel en hun vertaling van mijn versie besproken. Hoe hebben zij het opgevat? Waarom voor dit woord gekozen? Zit er een verschil in betekenis? Voorbeeld: I find it fascinating to learn new information, bleek niet hetzelfde als Ik vind het fascinerend om iets nieuws te leren. ...to learn new information... gaat over cognitief leren, en niet over het leren van een vaardigheid. Maar je zegt in het Nederlands niet ...nieuwe informatie leren. Daar is, na discussie, de volgende stelling van gemaakt: Ik vind het fascinerend om nieuwe kennis op te doen. Heel wat anders, maar toch hetzelfde.
Stap 4: Definitieve vertaling
Op basis van de gesprekken met de native speakers heb ik een definitieve vertaling gemaakt.
Stap 5: Testen
De vertaling was niet direct geschikt voor mijn doelgroep (VMBO / Het Groene Lyceum). Ik heb leerlingen uit mijn mentorklas gevraagd om na schooltijd de vragenlijst, in ruil voor warme chocolademelk en een stroopwafel, te testen. Bij drie vragen waren er problemen in de vorm van lastige woorden. Voorbeeld: Wat is een abstract concept bijvoorbeeld (Ik geniet ervan om te discussiëren over abstracte concepten)? Na mijn uitleg hierover heb ik de leerlingen gevraagd welke woorden zij zouden gebruiken als het hierover gaat. Dat leverde een, volgens mij, prachtige 'vertaling' op: Ik geniet ervan om te discussiëren over iets dat je niet snel begrijpt. Zo zijn we elke vraag langs gegaan.
De test leverde de definitieve versie. Om de validiteit te controleren heb ik de vragenlijst, samen met het origineel, opgestuurd naar prof. R.-J. Simons, die in de Canon van het Leren (2012) het hoofdstuk over nieuwsgierigheid geschreven heeft. Als expert kan hij een uitspraak doen over de inhoudsvaliditeit. Meet deze nieuwe versie nog wel hetzelfde als het origineel? De man schijnt het echter verschrikkelijk druk te hebben, zeker van antwoord ben ik dus niet. Zodra ik antwoord heb, pas ik het blog aan. Als ik geen antwoord krijg, zal ik het met face validity moeten doen (wat er op neer komt dat jullie mij op mijn blauwe ogen geloven dat deze vragenlijst meet wat er gemeten moet worden).
Stap 7: Afnemen!
En eens kijken of al dat werk ook iets oplevert...
Bronnen:
Berlyne, D. (1954). A theory of human curiosity. British Journal of Psychology, 45(3), 180-191.
Litman, J. A. (2008). Interest and deprivation factors of epistemic curiosity. Personal and Individual Differences, 44(7), 1585-1595.
Saunders, M., Lewis, P., Thornhill, A., Booij, M., & Verckens, J. P. (2011). Methoden en technieken van onderzoek. Amsterdam: Pearson Education Benelux.
Simons, R.-J. (2012). Nieuwsgierigheid. In M. Ruijters & R.-J. Simons (Red.), Canon van het leren (pp. 423-431). Deventer: Kluwer.
Mijn afstudeeronderzoek draait om nieuwsgierigheid. Als onderdeel van mijn onderzoek wil ik graag het verband laten zien tussen nieuwsgierigheid en het vermogen om vragen te stellen. Om dat te doen moet ik iets kunnen zeggen over de mate van nieuwsgierigheid (en natuurlijk ook over het vermogen om vragen te stellen, maar daarover een andere keer). Omdat het over nieuwsgierigheid als gevoel gaat, is een vragenlijst of een interview de aangewezen methode om data te verzamelen. Om een verband te onderzoeken moet ik van alle leerlingen in mijn onderzoeksgroep (N=22) hun mate van nieuwsgierigheid weten. Daarom heb ik gekozen voor een vragenlijst. De andere optie kost simpelweg teveel tijd.
Een klein probleem: die vragenlijst had ik nog niet. Na veel lezen en zoeken heb ik wel wat gevonden. De auteur heb ik gemaild of ik a) zijn vragenlijst mocht gebruiken en b) of hij mij het origineel wilde toesturen. Prompt stuurde hij mij de meest recente versie en alle relevante artikelen daaromheen. De Epistemic Curiosity Questionnaire (Litman, 2008) meet de vorm van nieuwsgierigheid die het meest in verband wordt gebracht met leren (zie bijvoorbeeld Berlyne, 1954). Prima vragenlijst: tien vragen, twee onderliggende schalen. Betrouwbaarheid in orde (α = .82 en .76) met een sterke correlatie tussen beide schalen (r = .60). Volgende probleem: om de vragenlijst te kunnen gebruiken moest deze vertaald worden. Een vertaalde vragenlijst is een nieuwe vragenlijst, waarbij er niet zomaar vanuit gegaan kan worden dat die net zo betrouwbaar is als het origineel... In de rest van dit blog de stappen die ik gevolgd heb, gebaseerd op de gemengde methode uit Methoden en technieken van onderzoek (Saunders, Lewis, Thornhill, Booij & Verckens, 2011).
Stap 1: Vertaal
Om te beginnen heb ik de vragenlijst zelf vertaald naar het Nederlands. Het lastige hieraan is, is dat je dit doet met stap 2 in je achterhoofd. De vertaling moet zo getrouw mogelijk aan het origineel, maar dat levert al snel hele kromme Nederlandse zinnen op.
Stap 2: Twee native speakers vertalen terug
De Nederlandse versie is door twee native speakers afzonderlijk weer vertaald naar het Engels. Een collega van mijn vriendin was zo vriendelijk, en nummer 2 vond ik via Twitter!
Stap 3: Vergelijken origineel met 'terugvertalingen'
Met beide native speakers heb ik (telefonisch en via Facetime) de verschillen tussen het origineel en hun vertaling van mijn versie besproken. Hoe hebben zij het opgevat? Waarom voor dit woord gekozen? Zit er een verschil in betekenis? Voorbeeld: I find it fascinating to learn new information, bleek niet hetzelfde als Ik vind het fascinerend om iets nieuws te leren. ...to learn new information... gaat over cognitief leren, en niet over het leren van een vaardigheid. Maar je zegt in het Nederlands niet ...nieuwe informatie leren. Daar is, na discussie, de volgende stelling van gemaakt: Ik vind het fascinerend om nieuwe kennis op te doen. Heel wat anders, maar toch hetzelfde.
Stap 4: Definitieve vertaling
Op basis van de gesprekken met de native speakers heb ik een definitieve vertaling gemaakt.
Stap 5: Testen
De vertaling was niet direct geschikt voor mijn doelgroep (VMBO / Het Groene Lyceum). Ik heb leerlingen uit mijn mentorklas gevraagd om na schooltijd de vragenlijst, in ruil voor warme chocolademelk en een stroopwafel, te testen. Bij drie vragen waren er problemen in de vorm van lastige woorden. Voorbeeld: Wat is een abstract concept bijvoorbeeld (Ik geniet ervan om te discussiëren over abstracte concepten)? Na mijn uitleg hierover heb ik de leerlingen gevraagd welke woorden zij zouden gebruiken als het hierover gaat. Dat leverde een, volgens mij, prachtige 'vertaling' op: Ik geniet ervan om te discussiëren over iets dat je niet snel begrijpt. Zo zijn we elke vraag langs gegaan.
Mooi: Bij stap 3 is het ook gegaan over de vertaling van ...I just can't rest without knowing the answer. De discussie ging daar tussen ik kan niet rusten en ik kan niet stoppen. De laatste leek ons in eerste instantie beter, maar uiteindelijk is er gekozen voor de eerste, puur omdat die vertaling dichter bij de bron was. Ik heb mijn leerlingen gevraagd of de stelling wat anders zou betekenen met stoppen in plaats van rusten. Antwoord, zonder te aarzelen: "Ja! Als je niet kan rusten voordat je het antwoord weet, kun je wel even stoppen om wat anders te gaan doen, maar je blijft er toch over nadenken." De nuance die ik, samen met twee hoogopgeleide native speakers nog niet hadden gevonden, werd feilloos aangebracht door een stel 13 jarige vmbo-leerlingen.Stap 6: Inhoudsvaliditeit
De test leverde de definitieve versie. Om de validiteit te controleren heb ik de vragenlijst, samen met het origineel, opgestuurd naar prof. R.-J. Simons, die in de Canon van het Leren (2012) het hoofdstuk over nieuwsgierigheid geschreven heeft. Als expert kan hij een uitspraak doen over de inhoudsvaliditeit. Meet deze nieuwe versie nog wel hetzelfde als het origineel? De man schijnt het echter verschrikkelijk druk te hebben, zeker van antwoord ben ik dus niet. Zodra ik antwoord heb, pas ik het blog aan. Als ik geen antwoord krijg, zal ik het met face validity moeten doen (wat er op neer komt dat jullie mij op mijn blauwe ogen geloven dat deze vragenlijst meet wat er gemeten moet worden).
Stap 7: Afnemen!
En eens kijken of al dat werk ook iets oplevert...
Bronnen:
Berlyne, D. (1954). A theory of human curiosity. British Journal of Psychology, 45(3), 180-191.
Litman, J. A. (2008). Interest and deprivation factors of epistemic curiosity. Personal and Individual Differences, 44(7), 1585-1595.
Saunders, M., Lewis, P., Thornhill, A., Booij, M., & Verckens, J. P. (2011). Methoden en technieken van onderzoek. Amsterdam: Pearson Education Benelux.
Simons, R.-J. (2012). Nieuwsgierigheid. In M. Ruijters & R.-J. Simons (Red.), Canon van het leren (pp. 423-431). Deventer: Kluwer.
dinsdag 21 oktober 2014
Hoeveel water gaat er in dit zwembad?
SPOILERALERT
Je hebt van die momenten dat je getriggerd wordt. Deze tweet van David van der Kooij was zo'n moment. Het volgende plaatje staat in de tweet:
Maar waarom word ik getriggerd? Er was, en is, voor mij geen noodzaak om te weten hoeveel water er in een zwembad gaat, laat staan hoe je zou kunnen bepalen hoeveel water er in een zwembad gaat. Maar ik vind puzzelen wel leuk, en als er staat 'verschillende manieren' lees ik direct 'zoveel mogelijk verschillende manieren'. Uitdaging dus! Daarnaast heeft creativiteit nogal wat overlap met nieuwsgierigheid, een concept waar ik bovenmatig in geïnteresseerd ben. (Nieuwsgierigheid staat centraal in mijn onderzoek dat ik ga doen om er, hopelijk voor volgend jaar juli, mijn masterthesis over te schrijven.) En nieuwsgierigheid heeft hier een grote rol. Nieuwsgierigheid zorgde ervoor dat ik de tweet wat beter bekeek. Vervolgens confronteerde de inhoud van de tweet mij er mee dat er blijkbaar verschillende manieren om zwembadwater 'op te meten' zijn, die ik niet ken. Robert-Jan Simons definieert nieuwsgierigheid als een toestand van bewust niet weten, en het wel willen weten (Simons, 2012; 2013). Dat dekt aardig de lading van mijn toestand op dat moment! In het vertrouwen dat nieuwsgierigheid ervoor zorgt dat je meer mogelijkheden ziet (Kashdan, 2010), ben ik aan de slag gegaan.
Wat zou een zeer nieuwsgierig persoon doen? Vragen stellen! Ik heb het probleem dus op zoveel mogelijk manieren benaderd door er vragen over te stellen. Wat als het een heel klein zwembad is? Wat zijn de eigenschappen van water? Wat als je heel veel tijd zou hebben? Kun je erachter komen als je het zwembad leeghaalt? Als je het vult? Welke materialen zou ik kunnen gebruiken? Al vragen stellend kwamen de ideeën bijna vanzelf.
Het lijkt mij dat deze opdracht laat zien hoe je, ook op school, creativiteit kunt aanwakkeren. Bang dat je op deze manier niet aan de verplichte leerstof toekomt? Kijk hoe een 'simpele' vraag als deze mogelijkheden geeft om op in te haken. Als je toch iets zekerder van je zaak wilt zijn, bekijk dan vooral deze geweldige TED talk van Dan Meyer. Hij gebruikt een soortgelijke opdracht als voorbeeld hoe hij leerlingen wiskundig leert redeneren, in plaats van ze de stappen voor te kauwen. Als een belangrijk doel van onderwijs is om kinderen te laten / leren nadenken, is creativiteit onmisbaar. Zowel bij docent als bij leerling!
P.S.1: Wie heeft er meer oplossingen? Ik ben nu passief nieuwsgierig :)
P.S.2: Ik moest wel denken aan het beroemde onderzoek*, waarbij er aan kinderen en volwassenen gevraagd werd om alternatieve toepassingen te verzinnen voor een paperclip. Twee procent van de volwassenen scoorde op genius level, tegenover maar liefst achtennegentig procent van de kleuters. Zou dat ook al gelden voor de peuter die ik thuis heb lopen? Ik liet hem het plaatje zien en stelde hem de vraag hoe je erachter zou kunnen komen hoeveel water dat was. Hij zei, na lang nadenken: 'ik denk... drie.' Wat mij betreft direct het bewijs (n=2, ik weet het) dat je een kennisbasis nodig hebt om creatief te kunnen zijn.
*moest flink zoeken, maar komt uit Breakpoint and Beyond: Mastering the Future Today, George Land & Beth Jarman. Ken Robinson refereert eraan in zijn beroemde youtubefilmpje.
Literatuur:
Kashdan, T. D. (2010). Nieuwsgierig? Houten: Spectrum
Simons, R. -J. (2012). Nieuwsgierigheid. In M. Ruijters & R. -J. Simons (Red.), Canon van het leren (pp. 423-431). Deventer: Kluwer
Simons, R. -J. (2013). Mindshifting: (Hoe) kunnen we mindsets veranderen? Afscheidsrede in verkorte vorm uitgesproken op 19 december 2013 te Utrecht. Gevonden op 21 oktober 2014, op http://visieopleren.nl/assets/mindshifting17122013(2).pdf
Je hebt van die momenten dat je getriggerd wordt. Deze tweet van David van der Kooij was zo'n moment. Het volgende plaatje staat in de tweet:
Maar waarom word ik getriggerd? Er was, en is, voor mij geen noodzaak om te weten hoeveel water er in een zwembad gaat, laat staan hoe je zou kunnen bepalen hoeveel water er in een zwembad gaat. Maar ik vind puzzelen wel leuk, en als er staat 'verschillende manieren' lees ik direct 'zoveel mogelijk verschillende manieren'. Uitdaging dus! Daarnaast heeft creativiteit nogal wat overlap met nieuwsgierigheid, een concept waar ik bovenmatig in geïnteresseerd ben. (Nieuwsgierigheid staat centraal in mijn onderzoek dat ik ga doen om er, hopelijk voor volgend jaar juli, mijn masterthesis over te schrijven.) En nieuwsgierigheid heeft hier een grote rol. Nieuwsgierigheid zorgde ervoor dat ik de tweet wat beter bekeek. Vervolgens confronteerde de inhoud van de tweet mij er mee dat er blijkbaar verschillende manieren om zwembadwater 'op te meten' zijn, die ik niet ken. Robert-Jan Simons definieert nieuwsgierigheid als een toestand van bewust niet weten, en het wel willen weten (Simons, 2012; 2013). Dat dekt aardig de lading van mijn toestand op dat moment! In het vertrouwen dat nieuwsgierigheid ervoor zorgt dat je meer mogelijkheden ziet (Kashdan, 2010), ben ik aan de slag gegaan.
Wat zou een zeer nieuwsgierig persoon doen? Vragen stellen! Ik heb het probleem dus op zoveel mogelijk manieren benaderd door er vragen over te stellen. Wat als het een heel klein zwembad is? Wat zijn de eigenschappen van water? Wat als je heel veel tijd zou hebben? Kun je erachter komen als je het zwembad leeghaalt? Als je het vult? Welke materialen zou ik kunnen gebruiken? Al vragen stellend kwamen de ideeën bijna vanzelf.
Als ik heel veel tijd zou hebben zou ik het zwembad leegscheppen met een maatbeker en tellen hoe vaak ik schep. (Deze kan ook andersom, met een maatbeker het zwembad volscheppen. Maar dat telt niet als een extra manier vind ik...)
Water is een kilo per liter (heel erg ongeveer). Als we het zwembadwater in een grote tankwagen pompen, zetten we de tankwagen op een weegbrug. Daar trekken we het gewicht van de tankwagen weer van af.
Water verdampt. Niet alleen als je het kookt. Je ziet boven zwembaden altijd zo'n damp hangen. Zou er niet een manier zijn om uit te rekenen hoe snel dat gaat? Jazeker!
Uitrekenen. Bereken de inhoud van het zwembad en je weet hoeveel water er in gaat.
Toevallig lag er een brief van het waterbedrijf naast mijn computer. Aha! Als ik een leeg zwembad heb, noteer ik de waterstand en laat het zwembad dan vollopen. Dan kan ik weer op de watermeter kijken om de hoeveelheid water uit te rekenen.
Vol laten lopen met de tuinslang gaat natuurlijk lang duren, maar hoe lang? Bepaal eerst hoeveel liter water per minuut de tuinslang geeft, en hou daarna de tijd bij als je de tuinslang in het zwembad hangt.Verder kwam ik niet. Ik zit nog te denken aan bepaalde chemische reacties, of zou je de weerstand kunnen meten als je elektriciteit door het zwembad heen stuurt, of... of... een groot deksel op het zwembad met een hele kleine opening, het water in het zwembad aan de kook brengen en kijken hoeveel ballonnen je kunt vullen met de waterdamp... (Ik was dus ook weer niet zó nieuwsgierig dat ik dat allemaal heb uitgezocht).
Het lijkt mij dat deze opdracht laat zien hoe je, ook op school, creativiteit kunt aanwakkeren. Bang dat je op deze manier niet aan de verplichte leerstof toekomt? Kijk hoe een 'simpele' vraag als deze mogelijkheden geeft om op in te haken. Als je toch iets zekerder van je zaak wilt zijn, bekijk dan vooral deze geweldige TED talk van Dan Meyer. Hij gebruikt een soortgelijke opdracht als voorbeeld hoe hij leerlingen wiskundig leert redeneren, in plaats van ze de stappen voor te kauwen. Als een belangrijk doel van onderwijs is om kinderen te laten / leren nadenken, is creativiteit onmisbaar. Zowel bij docent als bij leerling!
P.S.1: Wie heeft er meer oplossingen? Ik ben nu passief nieuwsgierig :)
P.S.2: Ik moest wel denken aan het beroemde onderzoek*, waarbij er aan kinderen en volwassenen gevraagd werd om alternatieve toepassingen te verzinnen voor een paperclip. Twee procent van de volwassenen scoorde op genius level, tegenover maar liefst achtennegentig procent van de kleuters. Zou dat ook al gelden voor de peuter die ik thuis heb lopen? Ik liet hem het plaatje zien en stelde hem de vraag hoe je erachter zou kunnen komen hoeveel water dat was. Hij zei, na lang nadenken: 'ik denk... drie.' Wat mij betreft direct het bewijs (n=2, ik weet het) dat je een kennisbasis nodig hebt om creatief te kunnen zijn.
*moest flink zoeken, maar komt uit Breakpoint and Beyond: Mastering the Future Today, George Land & Beth Jarman. Ken Robinson refereert eraan in zijn beroemde youtubefilmpje.
Literatuur:
Kashdan, T. D. (2010). Nieuwsgierig? Houten: Spectrum
Simons, R. -J. (2012). Nieuwsgierigheid. In M. Ruijters & R. -J. Simons (Red.), Canon van het leren (pp. 423-431). Deventer: Kluwer
Simons, R. -J. (2013). Mindshifting: (Hoe) kunnen we mindsets veranderen? Afscheidsrede in verkorte vorm uitgesproken op 19 december 2013 te Utrecht. Gevonden op 21 oktober 2014, op http://visieopleren.nl/assets/mindshifting17122013(2).pdf
woensdag 15 oktober 2014
De Onderwijsdagen 2014 - 1
Volgende maand zijn de Onderwijsdagen. Pardon, Dé Onderwijsdagen! Het congres dat, volgens de site, inzicht biedt in de trends en ontwikkelingen op het gebied van ICT in onderwijs. Dat kun je rustig een uitdaging noemen... de ontwikkelingen gaan rap, wellicht het duidelijkst geïllustreerd door de zogeheten O4NT-Steve Jobsscholen. Maar er bestaan ook nog docenten zoals in deze column, onbekend met de techniek, en al helemaal met de mogelijke meerwaarde van die techniek. De eerste uitdaging van zo'n congres zal zijn om zowel de door de wol geverfde ICT gebruikers als de noobs aan te spreken. Al vraag ik me voorlopig even af of die laatsten ook op zo'n congres zullen verschijnen. Een tweede uitdaging voor zo'n congres lijkt me om te dealen met het verschil in tempo tussen de 'trends en ontwikkelingen op het gebied van ICT' en het tempo waarmee die ontwikkelingen ingepast worden in het onderwijs.
Anyway. Ik weet eigenlijk nog niet of ik ga, er moet een dag studieverlof voor opgenomen worden en dat betekent voor mij (ik wil graag op de woensdag, want VO dag) 7 uur lesuitval. Maar aangezien ik uitgenodigd ben, op voorwaarde dat ik erover blog, schrijf ik dit maar vast voor de zekerheid! Ik ben zeker niet de enige, alle blogs zijn straks hier te vinden. @karinwinters heeft daar al de aftrap gedaan voor dit jaar.
In dit blog beschrijf ik mijn eigen ervaringen met ICT in de klas en mijn hulpvragen die ik daarbij heb. In mijn volgende blog (als ik zeker weet dat ik kan gaan) kijk ik vooruit naar het programma en beslis ik welke sessies ik ga volgen.
In de les Sport & Bewegen
Vooralsnog ben ik voornamelijk docent Sport & Bewegen. Het gymlokaal is op het eerste gezicht niet de meest logische plek voor computers en beeldschermen, maar niets is minder waar. Op mijn school werken we al een aantal jaar met TimeWarp. Enthousiast gemaakt door een bijscholing die ik volgde, overtuigde ik de rest van de sectie en schaften we het hele pakketje aan. TimeWarp is een softwarepakket dat, in combinatie met een videocamera en een laptop, een paar prachtige mogelijkheden biedt. De meestgebruikte is om de beelden met, zelf in te stellen, vertraging op de laptop te tonen. De leerlingen kunnen dus steeds hun eigen actie (salto, fosbury flop, ...) terugzien. De beelden kun je vervolgens ook terugspoelen, stilzetten, vertraagd afspelen. Op deze manier kun je leerlingen niet alleen zeggen wat ze beter kunnen doen, je kunt het ze ook laten zien.
Met terugwerkende kracht heb ik toch een beetje spijt van deze aankoop. Het is gepruts om alles op te zetten, alleen geschikt voor individuele feedback, het systeem is kwetsbaar en niet mobiel. Ondertussen pak ik vaker even mijn iPhone om Ubersense te gebruiken dan dat ik de hele TimeWarp opstelling in elkaar knutsel. We hadden met de sectie destijds veel beter onderzoek moeten doen. Allereerst naar wat we precies willen, hoe apparatuur daar bij zou kunnen helpen in de zaal, en welke mogelijkheden er daar nog meer voor waren.
In Het Groene Lyceum
Verder ben ik actief als coach in Het Groene Lyceum. Ik begeleid de leerlingen bij hun wekelijkse project / onderzoeksdag. De leerlingen hebben allemaal de beschikking over een laptop. Lessen, opdrachten en projecten staan in een elektronische leeromgeving. Leerlingen maken gebruik van de laptop voor Google, verslagen en het maken van presentaties. En dat is het, eerlijk gezegd, ook wel zo'n beetje. Het hangt behoorlijk van de docent af hoe we gebruik maken van de laptop, als 'dat ding' al niet alleen als storend ervaren wordt. Op de onderzoeksdag probeer ik wel toepassingen te zoeken die passen bij de activiteiten die gedaan worden. Een paar voorbeelden: Ik gebruik een Symbaloopagina per project om nuttige informatie en filmpjes op te verzamelen. Als discussiestarter gebruik ik Padlet, voor voorkennis activeren Kahoot, en Socrative regelmatig om feedback te vragen of om te laten reflecteren. Verder is het vooral incidenteel. Leerlingen maakten hun presentatie met Adobe Voice. Een leerling ontwierp zijn maquette voor het project 'wonen' met behulp van Minecraft. Ik heb eens een twitterspreekuur georganiseerd met een wetenschapster (@lalalalinder). Allemaal top. Maar niet structureel.
Hulpvragen
Mijn ervaringen tot nu toe leren me dat het mis gaat aan de basis. Met wat er is ben ik best in staat om af en toe succesvolle lessen te geven. Maar zonder stevig fundament voelt het nogal wankel. Tijdens de Onderwijsdagen zou ik er graag achterkomen wat er voor een stevige basis nodig is. Welke factoren moeten we rekening mee houden? Wat is belangrijk voor docent? Voor leerling? Voor de organisatie? Voor het systeem? Die bagage zou ik graag weer mee terug nemen naar mijn eigen school! En nu maar hopen dat ik kan...
Anyway. Ik weet eigenlijk nog niet of ik ga, er moet een dag studieverlof voor opgenomen worden en dat betekent voor mij (ik wil graag op de woensdag, want VO dag) 7 uur lesuitval. Maar aangezien ik uitgenodigd ben, op voorwaarde dat ik erover blog, schrijf ik dit maar vast voor de zekerheid! Ik ben zeker niet de enige, alle blogs zijn straks hier te vinden. @karinwinters heeft daar al de aftrap gedaan voor dit jaar.
In dit blog beschrijf ik mijn eigen ervaringen met ICT in de klas en mijn hulpvragen die ik daarbij heb. In mijn volgende blog (als ik zeker weet dat ik kan gaan) kijk ik vooruit naar het programma en beslis ik welke sessies ik ga volgen.
In de les Sport & Bewegen
Vooralsnog ben ik voornamelijk docent Sport & Bewegen. Het gymlokaal is op het eerste gezicht niet de meest logische plek voor computers en beeldschermen, maar niets is minder waar. Op mijn school werken we al een aantal jaar met TimeWarp. Enthousiast gemaakt door een bijscholing die ik volgde, overtuigde ik de rest van de sectie en schaften we het hele pakketje aan. TimeWarp is een softwarepakket dat, in combinatie met een videocamera en een laptop, een paar prachtige mogelijkheden biedt. De meestgebruikte is om de beelden met, zelf in te stellen, vertraging op de laptop te tonen. De leerlingen kunnen dus steeds hun eigen actie (salto, fosbury flop, ...) terugzien. De beelden kun je vervolgens ook terugspoelen, stilzetten, vertraagd afspelen. Op deze manier kun je leerlingen niet alleen zeggen wat ze beter kunnen doen, je kunt het ze ook laten zien.
Met terugwerkende kracht heb ik toch een beetje spijt van deze aankoop. Het is gepruts om alles op te zetten, alleen geschikt voor individuele feedback, het systeem is kwetsbaar en niet mobiel. Ondertussen pak ik vaker even mijn iPhone om Ubersense te gebruiken dan dat ik de hele TimeWarp opstelling in elkaar knutsel. We hadden met de sectie destijds veel beter onderzoek moeten doen. Allereerst naar wat we precies willen, hoe apparatuur daar bij zou kunnen helpen in de zaal, en welke mogelijkheden er daar nog meer voor waren.
In Het Groene Lyceum
Verder ben ik actief als coach in Het Groene Lyceum. Ik begeleid de leerlingen bij hun wekelijkse project / onderzoeksdag. De leerlingen hebben allemaal de beschikking over een laptop. Lessen, opdrachten en projecten staan in een elektronische leeromgeving. Leerlingen maken gebruik van de laptop voor Google, verslagen en het maken van presentaties. En dat is het, eerlijk gezegd, ook wel zo'n beetje. Het hangt behoorlijk van de docent af hoe we gebruik maken van de laptop, als 'dat ding' al niet alleen als storend ervaren wordt. Op de onderzoeksdag probeer ik wel toepassingen te zoeken die passen bij de activiteiten die gedaan worden. Een paar voorbeelden: Ik gebruik een Symbaloopagina per project om nuttige informatie en filmpjes op te verzamelen. Als discussiestarter gebruik ik Padlet, voor voorkennis activeren Kahoot, en Socrative regelmatig om feedback te vragen of om te laten reflecteren. Verder is het vooral incidenteel. Leerlingen maakten hun presentatie met Adobe Voice. Een leerling ontwierp zijn maquette voor het project 'wonen' met behulp van Minecraft. Ik heb eens een twitterspreekuur georganiseerd met een wetenschapster (@lalalalinder). Allemaal top. Maar niet structureel.
Hulpvragen
Mijn ervaringen tot nu toe leren me dat het mis gaat aan de basis. Met wat er is ben ik best in staat om af en toe succesvolle lessen te geven. Maar zonder stevig fundament voelt het nogal wankel. Tijdens de Onderwijsdagen zou ik er graag achterkomen wat er voor een stevige basis nodig is. Welke factoren moeten we rekening mee houden? Wat is belangrijk voor docent? Voor leerling? Voor de organisatie? Voor het systeem? Die bagage zou ik graag weer mee terug nemen naar mijn eigen school! En nu maar hopen dat ik kan...
dinsdag 16 september 2014
Ruim baan voor de denkende doener
2 juni jongstleden stuurde minister Bussemaker een brief (hier) naar de kamer met als titel 'Ruim baan voor vakmanschap: een toekomstgericht mbo'. Afgelopen maandag organiseerde de Hybride Alliantie in samenwerking met Tanja Jadnanansing (kamerlid PvdA) een expertmeeting om deze brief te bespreken en laatstgenoemde input te geven voor het debat in de Tweede Kamer.
In de brief schetst de minister haar toekomstvisie, de vragen die dat oproept en behandelt ze mogelijke oplossingen voor die vragen. De ambitie die ze heeft is om leerlingen goed toe te rusten voor een maatschappij die om goed toegeruste vakmensen vraagt, maar ook om flexibele werknemers. Banen, met in het bijzonder mbo banen (lees dit maar eens), zijn hun toekomst immers niet zeker. Dit levert (volgens haar) vier uitdagingen op voor het mbo: a) omgaan met een veranderende arbeidsmarkt, b) het imago van het mbo moet opgekrikt, c) de kwaliteit van het mbo moet omhoog en d) omgaan met krimp van het aantal studenten. De kern van haar oplossingen lijkt 'maatwerk en flexibiliteit'. Door het mbo flexibeler te maken, in samenwerking met het bedrijfsleven, moet het makkelijker worden om maatwerk te leveren. Zowel aan de studenten als aan de vraag van de arbeidsmarkt. In het traject voor het mbo moet er meer aandacht komen voor techniek (op de basisschool) en wordt de studiekeuze van leerlingen strakker begeleid.
Mijn eerste gedachten, voor de meeting, met betrekking tot deze brief waren deze:
1. Bij de voorstellen voor studiekeuze en beroepspraktijkvorming (bpv) krijg ik het idee dat er flink gestuurd wordt op ‘arbeidsmarktperspectief’. Niks talent: waar heb je de meeste kans op werk? Leerlingen worden gestimuleerd daarvoor te kiezen of om langer door te leren. Dat lijkt diversiteit niet te bevorderen. Als leerlingen vooral veilig gaan kiezen voor de opleiding met de meeste kans op werk wordt a) de kans op werk daar minder en b) gaat dat ten koste van kleinere opleidingen met een kleinere markt. Als er ingezet moet worden op innovatieve opleidingen en cross-overs tussen verschillende opleidingen, lijkt diversiteit me juist zo belangrijk. Bovendien: in de brief komt keer op keer terug dat we niet weten hoe de arbeidsmarkt er over een aantal jaren uit zal zien. Een logische vraag is dan toch hoe je kunt bewijzen dat jouw mbo instelling aan de eis van aansluiten op de arbeidsmarkt voldoet?
2. De enorme regelgeving schemert door de hele brief heen. Er wordt bijvoorbeeld ingezet op een doorlopende leerlijn vmbo/mbo/hbo. Vanuit mijn werkzaamheid voor Het Groene Lyceum (onderdeel AOC Oost) kan ik niet anders dan daar enthousiast over zijn! Maar daaraan wordt dan wel een apart team van de inspectie gekoppeld. Als er van het onderwijs en het bedrijfsleven creativiteit, innovatie, flexibiliteit en samenwerking wordt gevraagd, wat mogen we dan van de politiek verwachten? Het Groene Lyceum is een voorbeeld van een innovatieve opleiding door het aanbieden van een versneld traject vmbo/mbo voor leerlingen met een Havo advies en een praktische, groene interesse. De politiek geeft echter weinig ruimte. Er mag niet eerder geëxamineerd worden dan in jaar 4. We leiden leerlingen (voor de inspectie) op een lager niveau op dan het basisschooladvies aangeeft, minpunten dus. Als je ruimte geeft, geef dan ook vertrouwen en stuur alleen op resultaat.
3. In het stuk over de kwaliteit van het mbo gaat het over de structuur van de organisatie, de kwaliteit van de examens, ict, kwaliteit van bestuurders en (again) toezicht op kwaliteit. In de praktijk zal de uitvoering, de begeleiding en de verantwoordelijkheid bij de docenten liggen. Waarom worden die hier niet genoemd? Er gaat met al die nieuwe structuren, eisen, samenwerkingen, flexibiliteit, begeleidingsvormen en wat al niet meer nogal wat verwacht worden.
4. Ik word verder echt wel enthousiast van veel voorstellen en ideeën (misschien had ik daar mee moeten beginnen...). Als er goed samengewerkt kan worden tussen onderwijs en bedrijfsleven is dat een enorme meerwaarde voor de student. Komt daarbij de mogelijkheid om flexibel om te gaan met verschillende studenten, prachtig. De ambitie om kleinschaligheid en de menselijke maat voorop te stellen, de afstand tussen besturen en onderwijsteams te verkleinen: goed plan. Voor de rest: er worden niet alleen mooie woorden gebruikt. Er wordt her en der behoorlijk met miljoenen gestrooid. Fonds hier, fonds daar. Of dat veel geld is? Geen flauw benul. Ik ben met mijn docentensalaris al snel onder de indruk. Bovendien weet ik niet of dit 'nieuw' geld is, of bijvoorbeeld gewoon schuiven met potjes. Het lijkt er wat mij betreft in ieder geval wel op dat de minister haar money put where her mouth is.
Dan de bijeenkomst zelf.
De expertmeeting is georganiseerd in de Techniekfabriek in Amsterdam. Een lichtend voorbeeld als het aan de Hybride Alliantie ligt. Het is een samenwerking tussen NedTrain en het ROC Amsterdam, waarbij studenten leren vanaf de werkplek. Erica Aalsma (de Leermeesters) noemt het in haar inleiding de 'omgekeerde leerweg'. Leerlingen leren vanuit de beroepspraktijk en halen daarnaast op school wat ze nog nodig hebben in plaats van andersom. Tanja Jadnanansing vertelt kort iets over haar betrokkenheid bij het mbo en over het begrip 'de denkende doener'. Haar enthousiasme en zichtbare betrokkenheid zijn aanstekelijk en geven hoop, dit is duidelijk geen politicus in een ivoren toren. Naast deze twee dames wordt de avond ingeleid door verschillende mensen uit het onderwijs en bedrijfsleven. Er wordt onder andere gepleit voor passie, techniekonderwijs op de basisschool, vertrouwen en lerende systemen. Daarna wordt in groepjes verder gesproken over de brief met als opdracht boodschappen te formuleren voor de politiek en onszelf. Ik deel de tafel met bestuurders, iemand van de Techniekfabriek, iemand die meegeschreven heeft aan de brief van de minister, docenten, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven. Divers en dat biedt hoop! Het lijkt dus niet zo te zijn dat de behoefte aan samenwerking eenzijdig is. De gesprekken gaan alle kanten op en geven inzicht in verschillen en overeenkomsten, maar ook in de complexiteit en logheid van het mbo. Gelukkig wordt de avond voor me samengevat door Frank van Hout (CvB Friesland College). Hij onderscheidt drie thema's met daarbij de onderliggende opdrachten voor de politiek:
1. De inhoud. Er is de hele avond flink geworsteld met de verhouding tussen algemeen vormende vakken en vakspecifieke inhoud. Daar zal flexibel mee omgegaan moeten kunnen worden. Daarbij is de plek van het keuzeproces belangrijk. Of eigenlijk, het differentiëren in het moment van kiezen. Studenten die precies weten wat ze willen moeten de mogelijkheid hebben, zoals bij de Techniekfabriek, om te solliciteren op een werkplek en dat als basis voor het leerproces te hebben. Anderen die het minder zeker weten moeten breed kunnen beginnen en smal eindigen, of zelfs breed beginnen en breed eindigen.
2. De mensen. Een belangrijke conclusie is dat er meer waardering, in welke vorm dan ook, moet zijn voor de praktijkopleider. Daar wordt aan toegevoegd dat er veel aandacht moet zijn voor het uitvoerende team.
3. Het systeem. De samenwerking tussen het bedrijfsleven en het onderwijs is een speerpunt. Daarbij is het van enorm belang dat beide partijen daarbij dezelfde agenda hebben. Van de overheid wordt verlangd dat er ingezet wordt op 'High trust'. Afrekenen op het resultaat mag, maar niet op het hoe.
De avond duizelt me enigszins. Gebleken is in ieder geval dat mijn perspectief een heel beperkte is/was. Dat maakte deelnemen aan deze bijeenkomst al een verrijkende ervaring. Er blijven genoeg vragen over: verdringen al die leerwerkplekken geen werkplekken? Kun je innovatie op deze manier 'opleggen'? Hoe structureel zijn leerwerkplekken bij bedrijven? NedTrain is een groot bedrijf, maar hoe regel je de samenwerking met veertig kleine bedrijven? Gaat flexibiliteit, maatwerk etc etc niet juist ten koste van de kwaliteit? Gelukkig kan ik er nog eens over doorpraten met Ilya Zitter, betrokken bij de Hybride Alliantie en masterdocent Leren & Innoveren op de Stoas/Vilentum Hogeschool. Daarnaast ben ik erg benieuwd naar het debat dat aanstaande maandag wordt gevoerd in de Tweede Kamer. Van 10:00 - 18:00. Ik hoop dat daar iemand ook een samenvatting van maakt…
Reacties? Aanvullingen? Discussie? Leuk! Kan hier of via Twitter: @MartijnSytsma
In de brief schetst de minister haar toekomstvisie, de vragen die dat oproept en behandelt ze mogelijke oplossingen voor die vragen. De ambitie die ze heeft is om leerlingen goed toe te rusten voor een maatschappij die om goed toegeruste vakmensen vraagt, maar ook om flexibele werknemers. Banen, met in het bijzonder mbo banen (lees dit maar eens), zijn hun toekomst immers niet zeker. Dit levert (volgens haar) vier uitdagingen op voor het mbo: a) omgaan met een veranderende arbeidsmarkt, b) het imago van het mbo moet opgekrikt, c) de kwaliteit van het mbo moet omhoog en d) omgaan met krimp van het aantal studenten. De kern van haar oplossingen lijkt 'maatwerk en flexibiliteit'. Door het mbo flexibeler te maken, in samenwerking met het bedrijfsleven, moet het makkelijker worden om maatwerk te leveren. Zowel aan de studenten als aan de vraag van de arbeidsmarkt. In het traject voor het mbo moet er meer aandacht komen voor techniek (op de basisschool) en wordt de studiekeuze van leerlingen strakker begeleid.
Mijn eerste gedachten, voor de meeting, met betrekking tot deze brief waren deze:
1. Bij de voorstellen voor studiekeuze en beroepspraktijkvorming (bpv) krijg ik het idee dat er flink gestuurd wordt op ‘arbeidsmarktperspectief’. Niks talent: waar heb je de meeste kans op werk? Leerlingen worden gestimuleerd daarvoor te kiezen of om langer door te leren. Dat lijkt diversiteit niet te bevorderen. Als leerlingen vooral veilig gaan kiezen voor de opleiding met de meeste kans op werk wordt a) de kans op werk daar minder en b) gaat dat ten koste van kleinere opleidingen met een kleinere markt. Als er ingezet moet worden op innovatieve opleidingen en cross-overs tussen verschillende opleidingen, lijkt diversiteit me juist zo belangrijk. Bovendien: in de brief komt keer op keer terug dat we niet weten hoe de arbeidsmarkt er over een aantal jaren uit zal zien. Een logische vraag is dan toch hoe je kunt bewijzen dat jouw mbo instelling aan de eis van aansluiten op de arbeidsmarkt voldoet?
2. De enorme regelgeving schemert door de hele brief heen. Er wordt bijvoorbeeld ingezet op een doorlopende leerlijn vmbo/mbo/hbo. Vanuit mijn werkzaamheid voor Het Groene Lyceum (onderdeel AOC Oost) kan ik niet anders dan daar enthousiast over zijn! Maar daaraan wordt dan wel een apart team van de inspectie gekoppeld. Als er van het onderwijs en het bedrijfsleven creativiteit, innovatie, flexibiliteit en samenwerking wordt gevraagd, wat mogen we dan van de politiek verwachten? Het Groene Lyceum is een voorbeeld van een innovatieve opleiding door het aanbieden van een versneld traject vmbo/mbo voor leerlingen met een Havo advies en een praktische, groene interesse. De politiek geeft echter weinig ruimte. Er mag niet eerder geëxamineerd worden dan in jaar 4. We leiden leerlingen (voor de inspectie) op een lager niveau op dan het basisschooladvies aangeeft, minpunten dus. Als je ruimte geeft, geef dan ook vertrouwen en stuur alleen op resultaat.
3. In het stuk over de kwaliteit van het mbo gaat het over de structuur van de organisatie, de kwaliteit van de examens, ict, kwaliteit van bestuurders en (again) toezicht op kwaliteit. In de praktijk zal de uitvoering, de begeleiding en de verantwoordelijkheid bij de docenten liggen. Waarom worden die hier niet genoemd? Er gaat met al die nieuwe structuren, eisen, samenwerkingen, flexibiliteit, begeleidingsvormen en wat al niet meer nogal wat verwacht worden.
4. Ik word verder echt wel enthousiast van veel voorstellen en ideeën (misschien had ik daar mee moeten beginnen...). Als er goed samengewerkt kan worden tussen onderwijs en bedrijfsleven is dat een enorme meerwaarde voor de student. Komt daarbij de mogelijkheid om flexibel om te gaan met verschillende studenten, prachtig. De ambitie om kleinschaligheid en de menselijke maat voorop te stellen, de afstand tussen besturen en onderwijsteams te verkleinen: goed plan. Voor de rest: er worden niet alleen mooie woorden gebruikt. Er wordt her en der behoorlijk met miljoenen gestrooid. Fonds hier, fonds daar. Of dat veel geld is? Geen flauw benul. Ik ben met mijn docentensalaris al snel onder de indruk. Bovendien weet ik niet of dit 'nieuw' geld is, of bijvoorbeeld gewoon schuiven met potjes. Het lijkt er wat mij betreft in ieder geval wel op dat de minister haar money put where her mouth is.
Dan de bijeenkomst zelf.
De expertmeeting is georganiseerd in de Techniekfabriek in Amsterdam. Een lichtend voorbeeld als het aan de Hybride Alliantie ligt. Het is een samenwerking tussen NedTrain en het ROC Amsterdam, waarbij studenten leren vanaf de werkplek. Erica Aalsma (de Leermeesters) noemt het in haar inleiding de 'omgekeerde leerweg'. Leerlingen leren vanuit de beroepspraktijk en halen daarnaast op school wat ze nog nodig hebben in plaats van andersom. Tanja Jadnanansing vertelt kort iets over haar betrokkenheid bij het mbo en over het begrip 'de denkende doener'. Haar enthousiasme en zichtbare betrokkenheid zijn aanstekelijk en geven hoop, dit is duidelijk geen politicus in een ivoren toren. Naast deze twee dames wordt de avond ingeleid door verschillende mensen uit het onderwijs en bedrijfsleven. Er wordt onder andere gepleit voor passie, techniekonderwijs op de basisschool, vertrouwen en lerende systemen. Daarna wordt in groepjes verder gesproken over de brief met als opdracht boodschappen te formuleren voor de politiek en onszelf. Ik deel de tafel met bestuurders, iemand van de Techniekfabriek, iemand die meegeschreven heeft aan de brief van de minister, docenten, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven. Divers en dat biedt hoop! Het lijkt dus niet zo te zijn dat de behoefte aan samenwerking eenzijdig is. De gesprekken gaan alle kanten op en geven inzicht in verschillen en overeenkomsten, maar ook in de complexiteit en logheid van het mbo. Gelukkig wordt de avond voor me samengevat door Frank van Hout (CvB Friesland College). Hij onderscheidt drie thema's met daarbij de onderliggende opdrachten voor de politiek:
1. De inhoud. Er is de hele avond flink geworsteld met de verhouding tussen algemeen vormende vakken en vakspecifieke inhoud. Daar zal flexibel mee omgegaan moeten kunnen worden. Daarbij is de plek van het keuzeproces belangrijk. Of eigenlijk, het differentiëren in het moment van kiezen. Studenten die precies weten wat ze willen moeten de mogelijkheid hebben, zoals bij de Techniekfabriek, om te solliciteren op een werkplek en dat als basis voor het leerproces te hebben. Anderen die het minder zeker weten moeten breed kunnen beginnen en smal eindigen, of zelfs breed beginnen en breed eindigen.
2. De mensen. Een belangrijke conclusie is dat er meer waardering, in welke vorm dan ook, moet zijn voor de praktijkopleider. Daar wordt aan toegevoegd dat er veel aandacht moet zijn voor het uitvoerende team.
3. Het systeem. De samenwerking tussen het bedrijfsleven en het onderwijs is een speerpunt. Daarbij is het van enorm belang dat beide partijen daarbij dezelfde agenda hebben. Van de overheid wordt verlangd dat er ingezet wordt op 'High trust'. Afrekenen op het resultaat mag, maar niet op het hoe.
De avond duizelt me enigszins. Gebleken is in ieder geval dat mijn perspectief een heel beperkte is/was. Dat maakte deelnemen aan deze bijeenkomst al een verrijkende ervaring. Er blijven genoeg vragen over: verdringen al die leerwerkplekken geen werkplekken? Kun je innovatie op deze manier 'opleggen'? Hoe structureel zijn leerwerkplekken bij bedrijven? NedTrain is een groot bedrijf, maar hoe regel je de samenwerking met veertig kleine bedrijven? Gaat flexibiliteit, maatwerk etc etc niet juist ten koste van de kwaliteit? Gelukkig kan ik er nog eens over doorpraten met Ilya Zitter, betrokken bij de Hybride Alliantie en masterdocent Leren & Innoveren op de Stoas/Vilentum Hogeschool. Daarnaast ben ik erg benieuwd naar het debat dat aanstaande maandag wordt gevoerd in de Tweede Kamer. Van 10:00 - 18:00. Ik hoop dat daar iemand ook een samenvatting van maakt…
Reacties? Aanvullingen? Discussie? Leuk! Kan hier of via Twitter: @MartijnSytsma
maandag 8 september 2014
Start thema 'Communiceren binnen innovaties'
We zijn weer begonnen! De komende maanden gaan we ons voor de Master Leren & Innoveren bezighouden met 'Communiceren binnen innovaties'. Ik had lichte angst dat het een wat zweverig thema vol met rollenspellen zou worden, maar de eerste bijeenkomst heeft die angst aardig weggenomen. De bedoeling is niet om allerlei techniekjes te gaan oefenen, maar om te begrijpen wat er gebeurt tussen mensen. En vooral ook wat er gebeurt tussen jou en anderen. Ook al vind ik dat eng (opnames maken van gesprekken e.d.), daar heb ik wel zin in. Ik denk namelijk dat ik veel kan leren. Ik merk dat ik lang niet altijd overkom zoals ik denk dat ik overkom. Of ik denk dat ik duidelijk ben, maar er gebeurt vervolgens niets. Of... enzovoort. Wat ik een mooi inzicht vond van de eerste lesdag: Innovators willen vooruit, nieuw, anders, beter en ervaren voortdurend weerstand van mensen die dat niet willen of op een andere manier. Waar ik eigenlijk nog nooit bij stil had gestaan is dat innovators zelf ook een bron van weerstand zijn, alleen dan voor de mensen die alles bij het oude willen houden. Alleen al daar bewust van zijn, zorgt volgens mij voor een andere manier van communiceren.
Als ik aan innovatieprojecten denk heeft communicatie daarbinnen de rol om te enthousiasmeren, voor betrokkenheid en eigenaarschap te zorgen, en om duidelijkheid te verschaffen over doel, verwachtingen, afspraken en andere procesgerelateerde zaken. Dat klopt aardig volgens de afgestudeerde communicatiewetenschapper bij mij in huis: communicatie heeft als doel om te informeren, te motiveren, te stimuleren en te overtuigen. Ik ben bang dat mijn docenten me per direct van de masteropleiding zouden verwijderen als ik daar niet iets aan zou toevoegen. Communicatie heeft namelijk ook een belangrijke rol in kennis delen en creëren.
Ik vond het vrij lastig om zo uit het niks vragen op te hoesten rondom dit thema. Daarom heb ik het aangepakt zoals ik dat zelf met leerlingen doe. Nadat ik eerst zoveel mogelijk vragen over zoveel mogelijk problemen in zoveel mogelijk situaties heb opgeschreven, heb ik de vragen geselecteerd die mij in eerste instantie het interessantst lijken.
- Hoe kan een innovator zorgen voor gedeelde belangen in een team waar juist veel verschillende belangen (maar ook wensen en overtuigingen) bestaan?
- Hoe kan een innovator ervoor zorgen dat de innovatie duurzaam is? (Er sterven nogal eens goede initiatieven een zachte dood...)
- Hoe zorgt een innovator voor eigenaarschap bij collega's zonder de regie te verliezen?
Hopelijk zijn deze vragen een mooi startpunt om aanstaande vrijdag met mijn medestudenten mee verder te gaan!
P.S.
Abonneren op:
Posts (Atom)

